Site pictogram De Gehangene

Een schilfer op een reus

Een briefje van honderd Euro lag duidelijk zichtbaar op een weggepropt kussen achter de zetel. De Knalbanees had me uitgenodigd om kennis te maken en ik was daar op ingegaan. Niemand kende zijn echte naam. Hij was een soort zakenman die koeriers zocht. In café Perfect had ik het eerste contact gelegd; via Wendy Rowenta, een dragqueen die overdag in de dokken werkte kwam ik in zijn vizier. Het was vrij simpel; op mijn elektrische step zou ik pakketjes met ‘feestartikelen’ gaan bezorgen en de klanten zouden contant betalen. Ik zou ook een taser meekrijgen, een staaf waarmee je een stroomstoot uit kon delen.

“Hoe oud ben je?” vroeg de Knalbanees toen hij de keuken uit kwam.
“Twintig”, antwoordde ik. Grijnzend reikte hij me een energy drink aan, “Ik begrijp niet waarom jullie allemaal zo verzot zijn op die suikerdrankjes, je wordt er dik van en je adem gaat naar vuilnis stinken.”
“Hé, er ligt honderd Euro achter uw zetel”, zei ik terwijl ik achter me wees.
“Inderdaad. Goed gezien. Ik wilde je even uittesten. De kat op het spek binden. Als je niks had gezegd dan had je de job niet gekregen.”
Ik pakte het bankbiljet en gaf het aan hem.
“Wie een goed geweten heeft slaapt extra lekker”, zei hij en stopte het briefje in zijn broekzak.

Voordat ik de Knalbanees ontmoette speelde mijn leven zich af in de nachtelijke uren. Als de zon statig aan de hemel stond lag ik te ronken in mijn bed en tegen het avondeten werd ik wakker. Mijn eerste sigaret verbrandde de tegenzin over het wakkere bestaan. Ik kroop uit mijn nest en ging naar beneden om op mijn stoel te gaan zitten aan de keukentafel.

Met geknepen ogen en een dampende peuk in haar mondhoek roerde mijn moeder in een pan met saus en prikte af en toe in een van de patatten. Op het bewasemde keukenraam zochten druppels hun weg naar beneden en mijn vader die ook aan tafel zat maakte rochelende geluiden wanneer hij rook uitblies. Ik had nog zo’n drie uur de tijd om te eten, te douchen en nog wat filmpjes te kijken eer ik moest vertrekken naar mijn werk.
Vroeger smoorde ik ’s avonds doorlopend wiet in het park, maar sinds mijn job in het distributiecentrum ontdekte ik dat ook arbeid verdovende kwaliteiten had. Het was niet alleen het lawaai waardoor ik mijn collega’s niet hoefde te horen, maar vooral het eentonige heen en weer sjouwen tussen de pallets en de lopende band dat me zen maakte. De pijn in de rug door het gewicht van de pakketten was een offer dat ik met voldoening bracht.
Ik deed het voor de maatschappij.

“Wat krijgen we?” vroeg ik.
“Iets waar je slim van wordt”, antwoordde mama.
“Zolang het maar niet de hersens zijn van een varken,” reutelde mijn vader,
“kom jij nog wel eens in de moskee?”
“Nee helaas,” antwoordde ik, “maar misschien wordt het tijd om mijn kont weer eens een keer naar het westen te richten.”
Moeder smeet de vork op het aanrecht, draaide zich om en nam de peuk uit haar mond. “Het is dat jij hier nu de kostwinner bent, anders had je vanavond niets gehad! In mijn keuken wordt niet gespot met het geloof!”
“Jouw keuken? En wie betaalt hier de huur?” vroeg ik.
“En wie kookt hier?” ze draaide zich om en zocht haar vork.
Mijn moeder is intelligent omdat ze voortdurend haar hoofd schudt, zo blijven haar hersenen in beweging.

Ja, ik was kostwinner geworden.
Toen ze er achter kwamen dat ik een job had werd de uitkering van mijn vader stopgezet en moest ik onverwachts in ons onderhoud gaan voorzien.
Dat was een tegenvaller. Ik hield weinig over voor mezelf. Mijn broer kwam bedelen om geld en ook mijn zussen en tantes.
Ze deden ineens vriendelijk.
Dat was ooit anders. Toen mijn broer er via een neef achter kwam dat ik elke vrijdagavond in café Perfect zat probeerde hij, als ik niet oplette, mijn GSM te pakken en las al mijn berichten.
Bij ons hield iedereen elkaar in de gaten want we hadden allemaal iets te verbergen en hulden ons in rookgordijnen van Marlboro.
Ik was ook dingen te weten gekomen over mijn broer die volgens mij niet helemaal in lijn waren met de wet. Hiermee kon ik hem altijd nog eens chanteren. In een kast op zolder vond ik mijn vaders pornoverzameling en deze info leverde me twintig Euro per week op. De economie van het zwijggeld.
Kennis is macht. In een volgend leven word ik politicus of advocaat.
Ik was de nieuwe pater familias, een rol die ik kost wat kost wilde behouden maar werd het beu om voor de vriendelijkheid van mijn familie te moeten betalen.

Vanaf dat moment kon ik ongestoord café Perfect bezoeken.
Er werden geen vragen meer gesteld en mijn moeder was opgehouden met zagen dat ik nog geen vriendinnetje had.
Er was bij mij geen goesting om te trouwen en kinderen op de wereld te zetten. Nee, het gezin is de meest overschatte samenlevingsvorm die er is, een doorgeefluik van shit die zijn weg vindt naar de volgende generatie.

In de nacht sleepte ik met mijn collega’s illusies naar de band. Zalando, Bol punt com, Amazon. Allemaal pakjes waarvan één ding zeker was; de inhoud zou uiteindelijk als vuilnis op straat belanden en verteren op stortplaatsen.
Het zijn dromen die aankoeken op het aardoppervlak en die God’s wateren vergiftigen. Vrolijk werd ik er niet van, zeker nu ik alle rekeningen mocht betalen en nauwelijks genoeg overhield voor sigaretten. Ergens deed ik iets niet goed. Ik moest op zoek naar beter betaald werk en het heft in eigen handen nemen, want elk mens die zijn verantwoordelijkheid ontloopt gaat uiteindelijk bankroet en naar de verdoemenis. Ik had genoeg van alle hypocrisie.

Dus op een vrijdagavond wandelde ik café Perfect binnen.
Petra Cetamol en Angela Merkelbach zaten aan de toog en nipten vrolijk aan hun gin-tonics. Armand spoelde de glazen en ik bestelde een Duvel. Toen hij het bier inschonk voelde ik een plotselinge druk op mijn blaas en snelde richting toiletten. Bij de dansvloer stonden homo’s in fris gewassen kledij en tegen het deejayhok streelde een bejaarde man de billen van een student.
Alles leek normaal en toen ik heerlijk stond te urineren viel mijn oog op een bierviltje dat voor me tussen de tegelmuur en een buis was geklemd. Er stond een telefoonnummer op met een hartje erbij.
Ik frommelde mijn geslachtsorgaan terug in de broek en zag dat er bij elk urinoir een bierviltje met telefoonnummer was gestoken. Hier was iemand bezig geweest met marketing! Omdat ik een diep respect heb voor ondernemers stak ik het viltje in mijn broekzak en waste mijn handen.
Met een stuk wc-papier opende ik de deur want je wist nooit of de deurklinken hier wel proper waren.

Aan de achterkant van café Perfect was een klein overdekt terras waar je kon roken en daar ging ik zitten met mijn bier. Binnen klonk ‘Total eclips of the heart’ van Bonnie Tyler. Een paar tafeltjes verder zat een zwaar opgemaakt persoon met donkere netkousen en hoge hakken te staren naar haar telefoon. Ze deed me denken aan graaf Dracula. Verder was er niemand. Ik had het vermoeden dat zij wel eens de entrepreneur van de bierviltjes kon zijn. Ik rommelde in mijn broekzak, haalde ongezien het nummer tevoorschijn en toetste het in. De stem van Bonnie Tyler schuurde als een nootmuskaatrasp door de luidsprekers toen verderop de telefoon ging.
“Met Wendy.”
Ik deed alsof ik diep in gedachten was en bracht het glas naar mijn mond.
“Met Wendy?” herhaalde ze en haakte in. Ze liet haar blik op mij vallen en keek bedenkelijk. Het bier schuimde in mijn mond toen ze met haar zwart gelakte nagels iets intikte dat mijn GSM deed te rinkelen.
Beteuterd slikte ik door en keek haar aan.
“Wat zoek je?” vroeg ze streng.
“Ik zoek werk”, zei ik.
“Goh, da’s toevallig, ik zoek ook een bijverdienste.”
“Aan welke werkzaamheden moet ik dan denken?”
Ze legde haar smartphone op tafel en stak een sigaret aan.
“Ik probeer het nuttige met het aangename te combineren,” zei ze walmend, “ik ben hoogsensueel en heet als frietvet, maar alleen zolang de voorhuid strekt. Hoe heet je?”
“Ik ben Artan,” antwoordde ik, “en wie ben jij?”
“Wendy Rowenta is my name. Wat voor werk zoek je?”
“Iets in de distributie.”

“Je moet snappen dat je vanaf nu zwijgt,” de Knalbanees keek me ernstig aan. Zijn Zippo aansteker tuimelde van de ene naar de andere hand.
“Als ik denk dat iemand me probeert te belazeren moet ik jammerlijk mijn methode toepassen.” Met een zachte klik schakelde de airco aan en een koele luchtstroom zakte over de zetel.
“Wat voor methode?” vroeg ik schor.
De Knalbanees zette zijn aansteker op tafel en boog naar me toe.
“Een van de oudste leugendetectors ter wereld, uitgevonden door de Babyloniërs.” Hij opende het klepje.
“De verdachte krijgt een handvol rijst in de mond. Hij wordt spijkerhard verhoord. Hij kan alleen maar ja en nee schudden. Daarna uitspugen.
Als de rijst nog droog is dan is ‘m schuldig en niet jarig.”
Met zijn duim ontbrandde hij de Zippo en keek door de vlam naar mij.
Ik slikte en heel even kreeg ik spijt dat ik naar hem toe was gegaan. Waar was ik aan begonnen? Toch wist ik dat hij een goede mentor zou zijn, niet zo’n lamzak als mijn vader.
“We zijn een schilfer op een reus,” vervolgde hij, “iedereen is inwisselbaar. Ook jij. Vergeet dat nooit.” Hij klikte de aansteker dicht en klopte nonchalant de huidschilfers van zijn schouders.

Mobiele versie afsluiten